Wat schrijf je op een rouwkaart?

Wat schrijf je op een rouwkaart

Bijna een jaar geleden kregen wij na de dood van Tieme ontzettend veel kaarten. Het deed ons goed om te merken hoe veel mensen er met ons meeleefden en aan ons dachten. Al was het ook heel moeilijk om de kaarten te lezen. Je ziet je eigen verdriet weerspiegeld in de tekst op de kaart.

Maar wat schrijf je dan wèl op een rouwkaart?

Zoals ik hier al eerder schreef, lijken we allemaal niet meer zo goed te weten hoe om te gaan met rouw. Rouw lijkt een beetje uit onze cultuur verdwenen. En mensen vinden het moeilijk om te bedenken wat ze op een rouwkaart schrijven. Begrijpelijk natuurlijk, het is ook hartstikke lastig.

Ik vond sommige kaarten fijner om te lezen dan andere. Ik had het daar een keer met een vriendin over. Zij snapte dat ik de voorbeelden die ik noemde niet zo kon waarderen, maar vroeg me ook direct: maar wat zet je er dan wèl op?

Ik schreef afgelopen week zelf mijn eerste rouwkaart na het verlies van Tieme. Toen moest ik hier weer aan denken. Dus bij deze een stappenplan voor het schrijven van een rouwkaart 😊 Waarbij dit natuurlijk heel persoonlijk is, het kan voor een ander totaal anders zijn. Maar dan heb je tenminste enig houvast, voor als je ontzettend graag iets van je wilt laten horen, maar geen idee hebt op welke manier.

Stappenplan: wat schrijf je op een rouwkaart?

1. Ga even rustig zitten, en bedenk wat je eigenlijk kwijt wilt

2. Als je dat niet kan bedenken: schrijf dat dan op!

Ik vond kaarten met dit soort teksten ontzettend fijn om te krijgen:

  • Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik wil je wel even laten weten dat ik aan je denk
  • Ik vind het heel moeilijk om deze kaart te sturen want ik heb geen idee wat ik erop moet zetten, maar ik heb het toch maar gedaan

Ik had namelijk ook geen idee wat te zeggen over deze dramatische situatie. Dus ik verwacht echt niet dat iemand anders daar goede woorden voor kan vinden. En des te meer waardeerde ik het dat diegene, ondanks al het ongemak en de onzekerheid, alsnog de moed had verzameld om de kaart te sturen.

3. Schrijf op wat je dacht

Misschien kwamen er bij stap 1 dingen in je op uit onderstaande rijtje. Ook hier geldt weer: schrijf gewoon op wat je dacht! Het gaat er veel meer om dat je iets van je laat horen dan dat het ook een hoogdravende of mooie tekst wordt. Dus schrijf gewoon vanuit je hart.

  • Wat ontzettend verdrietig dat …. overleden is
  • Ik wil je even laten weten dat ik aan je denk
  • Ik wil jullie veel sterkte wensen in deze moeilijke tijd/met dit grote verlies/…
  • Ik vind het echt zo vreselijk voor jullie

4. Blijf weg van er een positieve draai aan proberen te geven

Als er iets heel moois gebeurt in het leven (bijvoorbeeld de geboorte van een kindje) dan schrijf je op het kaartje een tekst die bij dat positieve past. Je schrijft er niet op: gefeliciteerd met de geboorte van jullie zoon, maar bedenk dat hij ooit ook weer dood gaat. Op zo’n moment laat je het positieve er zijn. Je laat het negatieve achterwege, zelfs al weten we zeker dat dit negatieve er ooit gaat zijn. Laat andersom op een verdrietig moment ook het negatieve er zijn, en het positieve achterwege.

Ik had grote moeite met teksten als ‘maar achter de wolken schijnt de zon’, ‘maar vergeet niet ook de mooie kleuren van het leven te zien’ of ‘maar jullie hebben er voor altijd een engeltje bij’. Al die dingen zijn vast waar. Maar nu ben ik gewoon heel verdrietig. En een tekst die me wijst op het positieve helpt me niet.

Het helpt me niet een tekst te lezen die het negatieve probeert te verminderen, en daarmee eigenlijk mijn verdriet bagatelliseert. En als ik heel eerlijk ben: zo’n tekst geeft me ook het gevoel terecht gewezen te worden. Alsof ik naast het verdriet toch ook echt nog wel positief moet blijven denken. Maar dat positieve, dat was er op dat moment gewoon niet. Dat was er niet voor mij, en ik denk dat dat er voor niemand is die zojuist een geliefde heeft verloren.

Dus maak ruimte voor het verdriet. Laat het negatieve er ook gewoon zijn. En heb er vertrouwen in dat de persoon aan wie je schrijft op enig moment echt de zon ook wel weer zal zien schijnen.

Hopelijk helpt dit blog je met het schrijven van een volgende rouwkaart. Want iemand laten weten dat je aan haar denkt is altijd een goed idee!

Foto door Jess Bailey Designs via Pexels

Ik mis je

Ik mis je

Ineke is een lieve mama uit mijn lotgenotengroep via Lieve Engeltjes. Zij zat laatst in het programma ‘Ik mis je’.

Voor mij veel herkenning. Het waardeloze gevoel. Het je kindje moeten achterlaten, in mijn geval in het crematorium, wat zo ontzettend moeilijk is, omdat het tegen al je reflexen in gaat.

Daarnaast vond ikk vond het heel fijn om Ineke ‘live’ te zien, naast de berichten die we uitwisselen en de blogs die ik van haar heb gelezen.

Voor jou misschien fijn om te kijken, om het verhaal van het verlies van een baby’tje een vanuit een ander perspectief te horen. Ik ben niet de enige. Er zijn veel meer papa’s en mama’s die een baby’tje moeten achterlaten in een crematorium of op een begraafplaats.

Het item over Ineke’s dochtertje Amanda kan je hier terug kijken. Hun item start op 6min30. De stukken ervoor en erna vond ik te moeilijk om te kijken, omdat ze raken aan mijn diepste angst.

Bron foto: website Ik mis je

Small talk

Small talk. Ik draaide er vroeger mijn hand niet voor om. Maar wat is het toch ingewikkeld, nu er zoiets ingrijpends is gebeurd als het overlijden van mijn zoontje.

Small talk. Ik draaide er vroeger mijn hand niet voor om. Maar wat is het toch ingewikkeld, nu er zoiets ingrijpends is gebeurd als het overlijden van mijn zoontje.

Bieb

Zaterdagmorgen. Ik ben met mijn meisje in de bieb. Voor het eerst sinds corona mocht ze weer eens mee. Na het boeken uitzoeken drinken we samen wat en eten we iets lekkers. We genieten er allebei van.

Er komt een mama met een dochter aanlopen. Het blijkt een oud-teamgenootje van me te zijn, van jaren terug.

‘Hé hoi! Lang niet gezien!’, begint ze. Ze gaat op een bankje even verderop zitten, en vraagt: ‘hoe is het nou met jou?’.

Zoals jullie hier konden lezen, vind ik dat een ingewikkelde vraag. Ik ben er inmiddels een beetje beter in dan een paar maanden geleden. Maar lastig blijft het. Want echt goed gaat het nog niet met me. Maar ik heb, daar op die zaterdagochtend in de bieb, nou ook niet echt zin om te vertellen waarom niet.

Ik antwoord een beetje lauw: ‘ja goed’. Ik denk te zien dat ze wel merkt dat het geen heel overtuigend antwoord is. Maar ze vraagt niet door.

Broer en zus

Inmiddels is Lumen dikke vriendinnen met de dochter. Er wordt verteld dat zij een grote broer en ook nog een grote zus heeft. ‘Wat een geluk’, antwoord ik. Ik verwacht half en half dat Lumen zal vertellen dat zij ook een broertje heeft, en dat hij dood is. Voor Lumen is dat zo ‘matter-of-factly’, ze zal echt geen moment nadenken dat onze situatie anders is dan die van dit gezin waar we nu mee praten, waar maar liefst 3 levende kinderen opgroeien. Maar ze noemt hem niet. En ik heb ook geen zin om dit grote, levensgrote iets hier zomaar op tafel te leggen.

Mijn oud-teamgenootje kletst nog wat door. Ik vertel dat ik moest stoppen met volleyballen door een ski-ongeval. Dat ik opnieuw moest leren lopen en dat ik zo’n 2 jaar aan het revalideren ben geweest. Er wordt een hoop afge-oh-ed en ah-ed. ‘Wat vreselijk!’. Ja, dat klopt. Dat was en is het ook. Dat dit maar één van de grote dingen was de afgelopen jaren vertel ik er maar even niet bij.

Ze noemt nog even dat ze nu dan wel weer volleybalt, maar dat haar lijf het toch ook wel pittig heeft gehad. ‘Ja, drie zwangerschappen, hè!’. Ik lach een beetje flauwtjes. Dat ik er 6 heb gehad, ook dat laat ik maar even in het midden.

Small talk is lastig

En zo kom ik enigszins beduusd thuis, na ons biebbezoekje. En trek maar weer eens de conclusie dat small talk nou eenmaal lastig is momenteel.

Een paar maanden terug zou ik echt totaal ondersteboven geweest zijn van deze ontmoeting. Inmiddels gaat het gelukkig kleine stukjes beter. En vind ik het vooral ongemakkelijk, zo’n gesprek. Mijn gespreksgenote kletst gewoon een beetje, bedoelt het op geen enkele manier rot, en beseft zich niet dat er in dat gesprek meerdere dingen naar voren komen die voor mij lastig, pijnlijk of moeilijk zijn. En ik heb geen zin om mijn hele hebben en houwen op tafel te leggen, bij iemand die ik niet meer echt ken, op een fijne ontspannen biebochtend. Dus ik praat er maar wat omheen, laat vanalles in het midden.

Het voelt ergens niet fijn: het voelt een beetje alsof ik Tieme niet het plekje geef wat hij verdient, door hem niet te noemen als mijn zoon. Maar ik moet nog zoeken naar een alternatief, waarin ik hem wel noem maar op zo’n manier dat ik niet mijn hele hebben en houwen op tafel hoef te leggen.

Stad vol ballonnen

Ik vraag me ineens af: hoeveel mensen komen zo eigenlijk small talk door? Femke van der Laan (de weduwe van Eberhart) schreef dit in het prachtige boek ‘Stad vol ballonnen’:

Al die herinneringen die zo aanwezig zijn dat ze wel zichtbaar moeten zijn. Als een grote ballon die met een touwtje aan mijn pols vastzit. Eentje die ik overal mee naartoe sleep. De stad is vol ballonnen. Met touwtjes vastgemaakt aan polsen.

En ze omschrijft zo heel mooi dat er heel veel mensen een ballon aan hun pols hebben. Soms zelfs meerdere ballonnen. Die ballonnen voelen dan wel alsof ze zichtbaar zijn, maar dat zijn ze natuurlijk niet.

Small talk is lastig. In groepen zijn is lastig, want dat vereist small talk. Gelukkig gaat het elke maand kleine stukjes beter. Hopelijk komt er ooit een tijd waarin ik small talk weer makkie vind.

Bron afbeelding: DOK Delft

In rouw geldt: wat je aandacht geeft, slinkt

In rouw geldt: wat je aandacht geeft, slinkt

Wat je aandacht geeft, groeit. Een uitspraak waar ik heel erg in geloof. Ik merk echter dat het bij rouw en verlies net anders werkt. Dat daar juist geldt: wat je aandacht geeft, slinkt.

Een wereld van verschil

22 augustus 2020, de avond voordat het een jaar geleden was dat we het slechte nieuws van de 20w echo kregen. Mijn man en ik spreken erover. Dat dat morgen een jaar geleden is. Hoe het vorig jaar was. Hoe anders ons leven er die avond, maar dan een jaar eerder, uitzag.

23 augustus 2020. De datum waar ik al weken kriebels van in m’n buik krijg als ik eraan denk. De dag zelf valt eigenlijk mee. We denken eraan, de dag van een jaar geleden gaat op allerlei manieren door ons hoofd, maar verder hebben we een fijne dag.

De dag voor mijn mans verjaardag. De dag waarop we vorig jaar hoorden dat het echt, echt heel erg mis was met Tieme. We zijn de hele dag bezig. Druk met de voorbereiding van de verkoop van ons huis. We ploffen ’s avonds moe op de bank. Kunnen geen boe of bah zeggen. En nemen niet de tijd om stil te staan bij het verdriet.

Mijn man’s verjaardag dit jaar. De dag zit ramvol met afspraken, werk en sport. Maar het verdriet slaat keihard in. Sijpelt overal tussendoor. Met flashbacks naar zijn verjaardag vorig jaar, wat de verdrietigste verjaardag ooit was. Het blijkt een moeilijke dag.

Bij het ene moment stonden we bewust stil. Hadden en namen we de rust voor ons verdriet en voor de gedachtes aan vorig jaar. Het andere moment namen we die tijd niet. We waren te moe, we dachten er niet aan. Of misschien ook wel, maar we hadden gewoon geen puf. Maar het al dan niet stilstaan bij de gevoelens die er toch wel zijn, maakt dus een wereld van verschil.

Ik heb dat de afgelopen maanden al vaker gemerkt. Als ik ruimte maak voor het verdriet op de dagen dat het m’n oren uit komt, dan is die dag een verdriet-dag, maar gaat het de dag erna alweer beter. De huilbui die weggestopt wordt, omdat het niet uitkomt op dat moment, om wat voor reden dan ook, die huilbui blijft hangen. Soms duurt het dagenlang voordat hij er dan alsnog uitkomt. In een random vorm: als huilbui, soms al boosheid op mensen of de wereld, of als algeheel chagrijn.   

Wat je aandacht geeft, slinkt

Ik ben koningin in het positieve zien. Blij zijn met wat ik wel heb. Opstaan en weer doorgaan. En heb daardoor de laatste jaren regelmatig maar weinig aandacht gegeven aan de verliezen die er waren.

Ik weet nog dat een 45+ collega van mij vertelde dat hij moest stoppen met volleybal, omdat z’n lijf het nu echt niet meer aan kon. Hij noemde terloops dat hij nu dan een rouwproces in ging. Ik was superverbaasd. Had me tot dan toe nog nooit gerealiseerd dat het moeten stoppen met je lievelingssport ook een vorm van rouw, van afscheid nemen van iets wat je lief is, was.

Tegelijkertijd vond ik het gek en vervelend en stom dat ik het nog zo moeilijk vond dat ik mijn lievelingssport niet meer kon en mocht doen. Terwijl ik op m’n 32e abrupt ermee op moest houden na een wintersportvakantie. Wat toch iets heel anders is dan +/- 15 jaar ouder zijn, en geleidelijk aan voelen dat je lijf je sport echt niet meer aan kan. Ik weet niet of aandacht geven aan dit verlies het enige is wat ik eraan kan doen, maar het is in ieder geval een begin.

Ik probeer nu dus continu ruimte te maken voor wat er is aan gebaal, verdriet, irritatie. Het niet weg te stoppen en snel over iets leuks te beginnen. Het de aandacht te geven die het blijkbaar nodig heeft. De aandacht die het nodig heeft om het uit eindelijk als kleiner en minder alomtegenwoordig te gaan ervaren. Omdat ik inmiddels oprecht geloof dat bij rouw en verlies geldt: wat je aandacht geeft, slinkt.

Haakjes – Rouwen is ook wennen aan de nieuwe realiteit

In mijn huis hangen 2 haakjes. Haakjes die me aan Tieme doen denken. En aan het levende baby’tje waar we zo ontzettend op gehoopt hebben de afgelopen jaren. En wat niet is gekomen.

In mijn huis hangen 2 haakjes. Haakjes die me aan Tieme doen denken. En aan het levende baby’tje waar we zo ontzettend op gehoopt hebben de afgelopen jaren. En wat niet is gekomen.

Letterlijke haakjes

Het ene haakje hangt in de badkamer. De wc-verkleiner hing erop. Ik borg de verkleiner op toen deze niet meer nodig was voor mijn dochter. Het haakje bleef hangen. Voor als ze ooit nog een broertje of zusje mocht krijgen.

Het andere haakje zit in ons plafond. Het is voor de hangwieg. De hangwieg waar ik straalverliefd op was toen Lumen erin lag. Het haakje heeft zelfs onze verbouwing boven overleefd. We zeiden tegen de aannemer: ‘laat maar hangen, de hangwieg komt toch op dezelfde plek als het broertje of zusje van Lumen op een gegeven moment komt’. Hij heeft eromheen gestuct.

Dat zijn de letterlijke haakjes. Dan zijn er nog oneindig veel figuurlijke haakjes die ik tegen kom. Dingen die me aan Tieme doen denken. Die een herinnering aan onze tijd met hem brengen. Of die het bewustzijn triggeren dat hij echt nooit meer levend wordt en voor altijd weg is.

Parkeerautomaat

Ik stond laatst met mijn man voor een parkeerautomaat. En had een genadeloze flashback naar alle keren dat we in ziekenhuizen voor zo’n automaat stonden vorig jaar. 23 keer, berekende ik hier een keer.

Als je net gehoord hebt dat de dokter zich ernstige zorgen maakt om je kindje.  Als je net gehoord hebt dat je kindje dood gaat. Als je net de mogelijkheden tot zwangerschapsafbreking besproken hebt. Als je net gehoord hebt dat je kindje grote kans heeft op een waslijst vol handicaps. Al die keren sta je daarna samen voor zo’n parkeerautomaat. Verdwaasd. Boos. Verdrietig. Zoiets futiels te doen als parkeergeld betalen. Ik denk dat ik nooit meer hetzelfde kijk naar mensen die voor de parkeerautomaat in het ziekenhuis staan. Ik zal me altijd even afvragen of zij misschien ook net gehoord hebben dat hun kindje dood gaat. Of zij zelf.

Tieme

Ik zag op LinkedIn laatst iemand voorbij komen die Tieme heette. Op zich is Tieme geen heel onbekende naam. Maar blijkbaar kom ik ‘m toch weinig tegen. Dit was de eerste keer. Au. Een enorme steek. Het besef dat er nooit een Tieme van D op LinkedIn zal staan sloeg als een mokerslag in. Nou bestaat LinkedIn over 18 jaar vast niet meer, dus de kans dat er daar een profiel met zijn naam was geweest was al niet groot 😉 Maar het deed me eens te meer beseffen dat hij gewoon echt geen leven op gaat bouwen.

Rouwen is ook wennen aan de nieuwe realiteit

In het boek van Manu Keirse staat dat een onderdeel van rouwen ook het wennen is aan de nieuwe realiteit. Je hebt je ingesteld op een leven met iemand, en ineens is die iemand dood. Dat wil je niet. Maar het is wel zo. Je hebt het ermee te doen. Het kost letterlijk veel tijd en veel energie om te wennen aan die nieuwe realiteit.

Ik ga het haakje in de badkamer er binnenkort maar afhalen. Hoewel ‘uit het oog, uit het hart’ zeker niet het gemis van Tieme oplost, is het wel fijn om wat confronterende dingen langzaam maar zeker op te bergen. Het haakje voor de hangwieg weghalen heeft niet veel zin, dan zit er een gat in het plafond. Dus dat laat ik maar hangen.

En het enige wat ik kan doen aan alle figuurlijke haakjes die ik tegenkom, is mezelf de ruimte geven om bij ze stil te staan. Verdrietig te zijn, als dat verdriet ineens naar boven komt door zo’n haakje. Even de tijd te nemen om het haakje te bekijken. Voordat ik doorloop, verder ga of om het haakje heen loop. Die haakjes zullen wel blijven komen. Misschien de rest van mijn leven. Ook daaraan zal ik dus maar proberen te wennen.  

Het rad van fortuin

Laatst vertelde mijn man me over ‘het rad van fortuin’. Nog meer boekenwijsheid, dit keer van de geweldige schrijfster Thea Beckman.

Laatst vertelde mijn man me over ‘het rad van fortuin’. Nog meer boekenwijsheid, dit keer van de geweldige schrijfster Thea Beckman.

Het rad van fortuin

In het boek ‘Het rad van fortuin’ van Thea Beckman wordt in hoofdstuk 8: ‘Zet je schrap!’ uitgelegd wat dat rad van fortuin precies is:

“Het dochtertje van de kokkin vergeet hem te plagen als ze zijn verdrietig gezichtje ziet en probeert hem te troosten. Op de met meel bestoven, houten keukentafel tekent ze een onhandige cirkel met spaken, als een wagenwiel.

‘Kijk,’ zegt ze, ‘dat is het rad van fortuin. Vrouwe Tiphaine heeft me er over verteld. Alle mensen hebben zo’n rad en het wentelt. Dit ben jij.’

Ze legt een gedroogde paardeboon op een willekeurige plek op de cirkel, ‘en omdat het rad draait kom je de ene keer helemaal bovenaan en dan gaat het je goed. Maar het wiel wentelt verder en na een poosje zit je onderaan en dan gaat alles verkeerd.’

(…)

‘Wij zitten hier’. Haar vingertje prikt halverwege. ‘En nu kan er vanalles gebeuren. Het rad kan naar links draaien, dan kom je onderaan terecht en dat is verschrikkelijk. Of het wentelt terug, dan kom je weer omhoog en dat is fijn.’

Twijfelend kijkt Kleine Robert neer op de bestoven tafel en het primitieve rad. Hij overweegt Thérèses woorden.

‘Wat gebeurt er als het rad zover doordraait dat ik helemaal onderaan beland?’ vraagt hij angstig.

‘Dat… dat weet ik niet. Misschien krijg je een ongeluk of word je ziek. Maar weet je, je hoeft nooit te wanhopen heeft vrouwe Tiphaine gezegd, want het rad wentelt altijd en als je helemaal beneden bent en alles verkeerd gaat, kun je alleen nog maar stijgen en dat is een hele opluchting.’

Een mooie metafoor voor het leven, dat rad van fortuin.

Tegenspartelen

En dan komt er een voor mij heel herkenbaar stukje, over tegenspartelen.

Woedend veegt Kleine Robert met zijn hand over de tafel, het meel stuift op.

‘Ik wil het niet zien,’ roept hij. De gedachte dat hij willoos aan zijn noodlot zit vastgeklonken en dat dit noodlot gemene streken met hem kan uithalen, kan hij niet goed verdragen.

‘Doe niet zo kinderachtig’, zegt Thérèse. Koppig herstelt ze de vernielde tekening en legt het boontje weer halverwege. ‘Kijk’, zegt ze eigenwijs, ‘als jij dat boontje bent, vastgeplakt op het rad van fortuin dan kun je toch tegenspartelen? Als het rad de neiging heeft om zo te wentelen dat je naar beneden gaat, dan moet je je schrap zetten, protesteren, je ergens aan vastklampen zodat je niet helemaal onderaan terechtkomt.’

De kinderen denken nog wat na over of dat echt zou kunnen, dat tegenspartelen. Want ze zijn als boontjes maar zo klein, terwijl het rad zo groot is. Maar omdat dat ze nou eenmaal het fijnste idee lijkt, trekken ze de conclusie van wel.

Een rouwend boontje

En dan komt de man van Marie-Claire te overlijden. Zij is de hoofdrolspeelster in het boek en de pleegmoeder van Kleine Robert. Kleine Robert vertelt haar over het rad. Hij moedigt haar aan zich schrap te zetten, zodat haar rad zo snel mogelijk weer door draait en haar boontje wegdraait van het dieptepunt.

Maar Marie-Claire wil dat niet:

‘Nee kind, dat zou ik niet kunnen. Ik wil het ook niet, ik rouw. (…) Mijn boontje, zoals jullie kinderen dat noemen, mag nog even beneden blijven, helemaal onderaan het rad om te rusten. Als het is uitgerust zal het zich gaan verzetten en het rad weer in beweging brengen.’

(…)

Het kinderlijke gesprek met Kleine Robert heeft Marie-Claire goed gedaan. Ze gunt zich de tijd om het verdriet over Bertons dood te verwerken, om te wennen aan haar gemis, aan de eenzame nachten en de leegte om haar heen.

Ons rad van fortuin

Ergens begin dit jaar vertelde mijn man over dat rad van fortuin. Ik vond het moeilijk dat we al maanden thuis waren, nauwelijks de dag door kwamen, niets anders deden dan dat. Hij haalde Thea en dat rad erbij en vertelde dat ons boontje nu beneden zat. En dat we niet meteen heel hard hoefden te vechten om weer uit dat dal te komen. Dat we voorlopig mochten uitrusten. En dat er dan vanzelf een moment zou komen dat ons boontje weer in beweging kwam.

Dat niet vechten om verder te komen is niets voor mij. Mijn natuurlijke reactie is om zo snel mogelijk ‘op te staan en verder te gaan’. Ik herken me ontzettend in de kinderen in het verhaal: zij willen ook kunnen tegenspartelen zodat het rad hun boontje zo snel mogelijk weer omhoog draait.

Maar ik luisterde naar mijn man. Ik kon ook niet veel anders trouwens, ik was letterlijk niet in staat tot meer dan onderaan blijven hangen. Maar het hielp me dat hij dit zei. Het gaf me een ‘license to rest’. Hij noemde het ook wel ‘in de put blijven zitten’. ‘We zitten nu diep in de put. En blijven voorlopig hier op de bodem zitten. Totdat we merken dat we de energie gevonden hebben om een stapje omhoog te klimmen.’

Telkens als ik bij mezelf de aandrang bespeurde om iets weer te gaan doen waar ik misschien eigenlijk nog niet aan toe was (ergens heen, mensen zien, weer gaan werken) dacht ik aan dat rad van fortuin. Aan mijn boontje, wat nog niet voldoende uitgerust bleek om dat stapje te zetten. En dan bleef ik lekker zitten. En deed het niet.

In zijn oneindige wijsheid had hij gelijk. Ik volg nu veel meer m’n gevoel. Ik blijf zitten als de energie voor een stapje klimmen er niet is. En merk dat er af en toe ineens energie is voor een stapje. Energie voor een stapje wat een paar maanden of weken eerder nog niet gezet kon worden.

Haast

In het boek ‘Waar je ook gaat daar ben je’ van Jon Kabat-Zinn (de grondlegger van mindfulness) lees ik: ‘Haast helpt meestal niet en kan veel lijden teweeg brengen’. Ik heb de laatste jaren veel haast gehad. Ik wilde telkens zo snel mogelijk opstaan en weer verder gaan.  

In deze periode leer ik dat het soms beter is om in de put te blijven zitten. Dat zo snel mogelijk weer verder willen gaan niet altijd goed is. Dat dat tegenspartelen wat ik veel gedaan heb veel energie gekost heeft, maar niet altijd goed werkt.

Ik probeer de tijd te nemen die nodig is. Om bij te komen. Om te rusten. Om de energie op te doen die nodig is voor alle stapjes omhoog.

En zo heb ik weer een stukje wijsheid gehaald uit een kinderboek. Ik schreef hier al over de wijsheid in Harry Potter over rouwen. Toch maar goed dat mijn man en ik af en toe die boeken nog opnieuw lezen. Zodat we die wijsheid eruit kunnen halen, nu we ‘later groot zijn’.  

Credits afbeelding: boekwinkeltjes.nl

De bergen die er te beklimmen zijn

Ik probeer mijn wereld stapje voor stapje weer wat groter te maken. Ik kijk vooruit naar de komende maanden. Ik zie vele bergen die er te beklimmen zijn.

Ik probeer mijn wereld stapje voor stapje weer wat groter te maken. Ik kijk vooruit naar de komende maanden. Ik zie vele bergen die er te beklimmen zijn.

Woud

Het voelt alsof ik in een heel dichtbegroeid woud loop. Waarbij ik me een weg baan door alle bomen en struiken heen. Stap voor stap. Bij elke stap kijkend en voelend wat er nu weer ligt en overwonnen dient te worden. Welke takken ik opzij moet buigen voordat ik de stap gezet heb.

De al beklommen bergen

Mezelf een weg banen door een dicht woud. Zo voelt het al een hele tijd. Ik heb al ontzettend veel stappen gezet en bergen beklommen. Zoals ik eerder hier al schreef, kan ik niets meer ‘even’ doen. Op het schoolplein staan was ontzettend moeilijk. Vanwege de goedbedoelde vragen van ouders, waar ik geen energie voor had. Vanwege de zwangere moeders of moeders met baby’s. Het ophalen van mijn dochter gaat inmiddels wel beter, net als brood halen. De Hema blijft moeilijk, vanwege de altijd leuke babykleren. Ik probeer ze te ontwijken, maar ontkom er meestal niet aan om toch ergens, onverwachts op zo’n kopse kant, iets heel erg leuks tegen te komen.

Ik heb de afgelopen weken de ‘kraam’bezoeken weer opgepakt. Heel erg fijn. Vriendinnen die ik al bijna een jaar niet heb gezien en gesproken. Ik wil het verhaal en de foto’s van Tieme met ze delen. Tieme zo toch aan ze ‘voorstellen’. Hij is zo’n groot deel van me. Niet iets om zomaar aan voorbij te gaan. Maar ook elke keer weer moeilijk en verdrietig.

En natuurlijk de zoektocht naar een goede therapeut, waarbij het pas bij nummer 3 raak was. De fysiotherapie voor mijn knie. Alle wandelingen, fietstochten en yoga-sessies om fysiek weer fit te worden.

De bergen in de komende maanden

Ik ben hartstikke trots op al die stappen die ik al gezet heb. Als ik nu vooruit kijk naar de komende maanden, zakt de moed me wel een beetje in de schoenen. Er zijn nog zo veel meer bergen te beklimmen.

De 20 weken echo van Tieme is bijna een jaar geleden. De echo waarna onze wereld instortte. Waarmee onze hel begon. De start van de 2,5e maand onzekerheid, een periode die afgesloten werd door Tieme’s geboorte en overlijden. Het grote herbeleven was al begonnen, maar zal in de komende periode nog sterker zijn. Van die 20w echo tot aan Tieme’s overlijden 2,5e maand later. En waarschijnlijk ook nog wel een stuk verder door.

Verjaardagen

In die periode waren zowel mijn man als ik jarig. En dat zijn we dus komende herfst weer. Vorig jaar zagen we op de dag vóór de verjaardag van mijn man op de echo dat Tieme echt nauwelijks gegroeid was. Het was 2 weken na de 20w echo. Tot deze dag hadden we nog best veel hoop dat het allemaal goed kwam. Die hoop werd de dag voor mijn man’s verjaardag volledig de grond in geslagen. Het was de moeilijkste en verdrietigste verjaardag die we ooit ‘gevierd’ hebben. Voor Lumen hebben we nog taart gegeten en gezongen. Verder was het puur overleven. Met een grote brok verdriet en spanning in onze buik.

Tijdens die verjaardag hadden we nooit kunnen bedenken dat Tieme anderhalve maand later, tijdens mijn verjaardag, nog steeds in mijn buik zou zitten. Maar hij zat er nog. Ik verging inmiddels van de rugpijn. Mijn ouders kwamen. Ook die verjaardag bikkelden we door.

Dit jaar word ik 40. Iets wat natuurlijk fantastisch is. Er zijn mensen die dat niet halen. Dat realiseer ik me terdege, mijn hart bloedt voor de familie en vrienden van Lara van Ruijven, Paulien van Deutekom, Guusje Nederhorst. Eigenlijk vind ik dan ook dat kroonjaren flink gevierd moeten worden. Maar ik zou echt niet weten hoe, dit jaar.

En ik vind die 40 toch ook best een ding. Want mijn kinderwens is nog steeds niet geheel vervuld. En door die 40 kunnen we moeilijk zeggen: ‘we komen helemaal bij en verwerken het verlies van Tieme, en over een paar jaar proberen we het misschien nog eens’.

Werken

En dan heb ik besloten om heel voorzichtig de contacten met mijn werk op te gaan starten. Ik ben inmiddels bijna een jaar thuis. En ik begin dat wel zat te raken. Daarnaast denk ik dat het goed is als op een gegeven moment niet álles meer om verlies, verdriet, rouwen en verwerken draait. Als ik ook weer een beetje afleiding heb van iets wat daar niet zoveel mee te maken heeft.

Maar ik ben wel benieuwd naar hoe het zal gaan. Ik ben nog steeds vrij input-gevoelig. En ga mezelf natuurlijk onherroepelijk meer input geven als ik weer ga opstarten. We gaan het zien.

Daarnaast zie ik ook ontzettend op tegen de re-integratie. Het is nu de derde keer dat ik na lange afwezigheid weer moet re-integreren. En de vorige twee keer vond ik loodzwaar.

Het moeten starten met klusjes zonder druk en zonder deadline. Meestal niet de leukste dingen. Maar ja, als het een dag niet gaat moet daar ruimte voor zijn. En die ruimte is er niet bij onze reguliere projecten.

Het telkens moeten aftasten en analyseren: hoeveel heb ik deze week gewerkt? Ging dat? Zal ik volgende week al een beetje meer? Of toch maar niet?

De maandelijkse gesprekken met de bedrijfsarts. Een vriendelijke man. Maar hij brengt me verder weinig. In mijn ervaring komt er vanuit de kant van een bedrijfsarts geen richtlijnen in hoe je het beste herstelt en hoe je daarin je werk kan inbouwen. Dat moet je toch echt zelf uitzoeken. Dus die bezoekjes voelen voor mij als een ‘moetje’, en kosten me vooral tijd en energie.

Bakken vol kindjes

Het voor het eerst weer in de vriendengroep zijn, met kinderen erbij. Die hele bende kinderen, waar ik al jaren hoop nog een kindje aan toe te mogen voegen. Waar de andere stellen in die periode wel bakken vol kindjes aan toevoegden. De kring daarbuiten met een enorme lading aan baby’s en jonge kinderen. Iedereen krijgt maar kinderen.

Openbaar verlies

Het voor het eerst weer zien en spreken van allerlei mensen. Bij de volleybal. Voor het eerst weer naar kantoor. Familiedagen.

Met de miskramen heb ik kunnen kiezen met wie ik mijn verdriet deelde. Het verlies van Tieme is een heel openbaar verlies. Iedereen weet ervan. Al die ontmoetingen weer aangaan, ik zie er als een berg tegenop.

Hup ik

Daar ga ik dan. Stap voor stap. Iemand raadde me afgelopen week aan om echt met de dag te leven, zodat de bergen zo min mogelijk bergen lijken. Heel goed advies 😊 Dat probeer ik.

Ik kijk uit naar over een half jaar. Ik denk en hoop dat het gebergte waar ik nu tegenaan kijk dan al voor een groot deel achter me zal liggen. En tot die tijd probeer ik een beetje lief voor mezelf te zijn. En goed voor mezelf te zorgen. Ik boekte afgelopen week een fantastische massage bij Praktijk Roos. Dat was alvast een goed begin.              

Foto door Krivec Ales via Pexels

Rouwrituelen

In onze cultuur hebben we geen echte rouwrituelen meer. We weten niet meer goed hoe rouwen eigenlijk werkt. Wat mis ik het af en toe: rituelen hoe om te gaan met de dood.

In onze cultuur hebben we geen echte rouwrituelen meer. De dood is een beetje uit ons leven verdwenen. Er gaan (gelukkig!) nog maar weinig jonge mensen dood. Waardoor we niet meer goed weten hoe dat eigenlijk werkt. Rouwen. Maar wat mis ik het af en toe: rituelen hoe om te gaan met de dood. Hoe deze periode van rouw door te komen en vorm te geven. Voor mezelf. Maar ook als richtlijn voor anderen: hoe om te gaan met en wat te verwachten van mij en mijn gezin.

Rouwrituelen – Hoe hoort het eigenlijk?

In het etiquetteboek ‘Hoe hoort het eigenlijk?’ uit 1939 staat een duidelijke duur van de rouwperiode voorgeschreven: “Rouw voor echtgenooten, ouders en kinderen duurt 18 maanden, waarvan 6 maanden zware rouw, zes maanden halve rouw en zes maanden lichte rouw.” Rouwenden droegen rouwkleding, passend bij de rouwfase waar ze in zaten. Hierdoor waren ze duidelijk herkenbaar, kregen ze een speciale status, en konden ze rekenen op respect en steun van de omgeving.

De rouw zal echt niet per se over zijn na die eerste anderhalf jaar. Maar wat lijkt het me heerlijk: een collectief besef dat rouw gewoon lang duurt. Ik krijg nu af en toe verbaasde reacties. Over dat het nog helemaal niet goed met me gaat. Over dat ik mijn verdriet nog elke dag als een sluier bij me draag, dat dit een zwarte rand om zowat alles in mijn leven legt. Mensen beseffen dat niet. Wat lijkt het me fijn om dat niet uit te hoeven leggen. Dat men dit vanzelfsprekend vindt.  

Wat wel en niet te doen in de rouw?

Iets verderop in het etiquetteboek staat over de activiteiten wat omschreven: “Gedurende de eerste zes weken van zwaren rouw gaat men nergens heen buitenshuis behalve naar de kerk. Zakelijke vergaderingen kan men ten allen tijde bezoeken. Gedurende den halven rouw kan men slechts familiefeestdagen bezoeken, zooals verjaardagen bijv. (geen bruiloften). Ook een enkel concert kan men bijwonen.”

De halve rouw is het tweede half jaar. En het was dus volstrekt normaal dat je dan alleen familieaangelegenheden bezocht. Al het andere niet. Wow. Ik heb de afgelopen maanden regelmatig moeten uitleggen dat ik dingen nog niet aan kon. Ik schreef al eerder dat in groepen zijn momenteel niet goed lukt. Het vereist chit-chat, luchtige gesprekken over luchtige onderwerpen, en dat is nou eenmaal niet echt mijn specialiteit momenteel.

Wat lijkt het me heerlijk om gewoon voorgeschreven regels te hebben hierover. Die zowel voor mij als voor mijn omgeving duidelijk zijn. Voor mij zou dat een hoop nadenken schelen. Telkens weer de afweging: kan ik het al aan? Het zou daarnaast een hoop uitleggen schelen. Want de omgeving vindt het dan ook vanzelfsprekend dat we dat eerste jaar niet aansluiten bij wat dan ook. Mensen denken niet meer dat het na een paar maanden allemaal wel minder zal zijn, en dat we weer overal aan mee kunnen doen alsof er niets gebeurd is.

Het zal vroeger vast ook beklemmend geweest zijn soms. Misschien was een weduwe die haar man verloor al heel lang ongelukkig in haar huwelijk. Was ze na een jaar straalverliefd op de buurman, ook weduwnaar. Maar liep ze dan alsnog een half jaar in haar rouwkleding, te wachten tot ze verder mocht. Misschien was een kind zijn vader met de losse handjes en de kwade dronk wel liever kwijt dan rijk. Af en toe zullen al die regels ook juist beknellend gevoeld hebben. Maar wat had ik nu graag een paar van deze richtlijnen gehad, die deze periode voor zowel mij als mijn omgeving wat vanzelfsprekender maakten.

Rouwrituelen uit andere culturen

In dit artikel lees ik dat het opperhoofd van de indianen vroeger tegen mensen die iemand hadden verloren zei: ‘Jij bent nu in de rouw.’ En je was pas uit de rouw als het opperhoofd dat zei. Prachtig. Niet zelf hoeven te bedenken hoe het met je gaat, of je al toe bent aan dingen, wat je rouwstatus is.

De geïnterviewde in het artikel voegt eraan toe: “Ik heb bedacht dat ik mijn eigen opperhoofd moet zijn en de tijd moet nemen om in de rouw te zijn.” Heel mooi gezegd. En dat is ook precies hoe het nu is. We moeten het zelf doen en voor onszelf bedenken. Maar je moet al zo veel als rouwende, en je energie is zo laag. Wat zou het fijn zijn als iemand anders voor dit je besloot.

Manu Keirse vertelt in dit interview (2e link, vanaf 19:44) over een traditie in een oude volksstam: de vader van een overleden baby moest een boomstam naar de houtsnijder brengen. Die sneed daar een kindje uit. De mama van het kindje droeg dat houten kindje maandenlang op de rug.

Ook weer zo’n prachtige traditie. Want ik draag mijn kindje inderdaad overal met me mee. Als ik op het schoolplein sta, kom ik regelmatig de twee moeders tegen die rond dezelfde tijd bevallen zijn als ik. Zij hebben vaak hun baby’tje bij zich, nu een maand of 8 oud. Voor iedereen is duidelijk te zien dat zij een kindje hebben gekregen. Mijn kindje is onzichtbaar.

Huidige rouwrituelen

In de kerk worden eens per jaar alle overledenen genoemd. In sommige gemeentes wordt ook de overledene genoemd in de dienst rond een jaar na de sterfdatum. Ik ben niet gelovig. Als ik Tieme genoemd wil hebben, moet ik zelf bedenken waar. Door wie. Wanneer.

Er bestaat begin december een wereldlichtjesdag, de dag van het overleden kind. Vanuit de christelijke traditie is er Allerzielen en Allerheiligen, begin november. Tieme is op 10 november geboren. Ook op die dag zullen we vast iets willen doen qua herdenking. Maar hoe en wat, dat moeten/mogen we allemaal zelf bedenken.

In de documentaire ‘Kijken in de ziel’ wordt voorgesteld dat rouwenden weer een rouwband gaan dragen. Om aan te geven: ‘Ik ben verdrietig. Ik ben kwetsbaar. Wees een beetje voorzichtig met me’. Dat lijkt me wel wat. Je loopt nu in de supermarkt of staat op het schoolplein, en je hebt geen idee. Wie misschien ook wel rouwt. Wie misschien wel net zo verdwaasd rondloopt als ik. Aan wie je niet die vreselijk moeilijke vraag ‘Hoe gaat het?‘ moet stellen.

In onze cultuur draait alles om zelf sturen. Zelf kiezen. Zelf besluiten. Wat heel veel vrijheid geeft. Maar wat in situaties als rouw ook echt lastig kan zijn. Wij vogelen alles zelf uit. Bedenken wat wel en niet te doen, wat wel en niet te vertellen, hoe wel of niet te herdenken. Iets meer richtlijnen zou ik echt fijn vinden.

En jij? Ken jij nog mooie rouwrituelen die we nu niet (meer) gebruiken? Welke rituelen spreken je aan, of juist niet? Er lezen aardig wat mensen mee die ook met rouw te maken hebben. Ik ben erg benieuwd naar je gevoel over rouwrituelen. Laat het me weten in de reacties.

Afbeelding van Gaelle Boissonnard

‘Harry Potter’-wijsheid over verlies en rouw

Harry Potter wijsheid over verlies en rouw

Als Harry Potter-fan heb ik de boeken allemaal gelezen, en de films gezien. In deel 5 worden Thestrals geïntroduceerd. Dit zijn beesten die Harry wel kan zien maar zijn vrienden niet. Het Harry Potter verhaal bevat hiermee een wijsheid over verlies en rouw die ik eerder nooit zag. Maar waar ik, nu ik zelf ervaring heb met de dood zo ontzettend dichtbij, de laatste tijd vaak aan moet denken.

Harry Potter en de dood

Als Harry na de vakantie terugkomt op zijn toverschool, ziet hij ineens dat de tot dan toe altijd paardloze koetsen nu getrokken worden door rare beesten. Zie de foto bovenaan dit artikel (credits aan Seth Cooper vanuit de Harry Potter Fandom page). Hij vraagt zijn vrienden wat dat voor beesten zijn. Maar zijn vrienden blijken de beesten niet te kunnen zien. Op één meisje na. Ze verzekert Harry dat hij niet gek is. En dat zij ze al ziet sinds haar eerste dag op school.

Wat later legt dat meisje Harry uit dat de beesten Thestrals heten. ‘They can only be seen by people who have seen death’.

Harry heeft recent iemand dood zien gaan. Daarom ziet hij nu pas dat de koetsen, waarvan hij altijd dacht dat ze ‘horseless’ waren, eigenlijk getrokken worden door deze bijzondere dieren. Het meisje heeft haar moeder jong verloren. Daarom ziet zij de beesten altijd al. Voor haar zijn ze al lang niet vreemd of bijzonder meer.

En ineens zie ik het ook

Het is iets wat ik ook in het echte leven merk. Alleen mensen die een héél dichtbij verlies hebben meegemaakt, snappen echt wat dat verlies betekent. Mensen die iemand verloren met wie ze in één huis woonden, met wie ze kerst vierden. Iemand die een gapend gat achterlaat in je leven, in je huis, in zowel de feestdagen als de alledaagse dagen. Alleen mensen die de dood van zó dichtbij hebben gezien, voelen en zien echt de impact van zo’n verlies.

Ditzelfde geldt voor mij. Vóór Tieme kon ik proberen te bedenken hoe erg het moest zijn om iemand die je zeer na staat te verliezen. Proberen me in te leven in de persoon die dit verlies geleden heeft. Maar de grootte ervan, de alomtegenwoordigheid van het verlies, het gapende gat wat er in je leven geslagen is, had ik nooit kunnen omvatten. Pas nu, nu ik het zelf voel, begin ik het een beetje te begrijpen.

Mensen die de dood hebben gezien

Ik denk aan dat vriendinnetje wat in de brugklas haar vader verloor. Ik ben daar toen even verdrietig om geweest voor en met haar. Maar al snel ging het leven door. Dacht ik er niet meer zo vaak aan. Met terugwerkende kracht denk ik aan alle momenten waarop ze haar vader zo intens gemist moet hebben. Aan hoe ze als gezin geworsteld moeten hebben met het leven van dat leven zonder hun vader. Hoe ontzettend veel momenten met ondraaglijk gemis er geweest zullen zijn. Toen. En vast nu nog steeds.

Ik denk aan het gezin waar we vroeger mee op vakantie gingen. Kerstavond mee vierden. Waar ik logeerde toen mijn zusje en later mijn broertje geboren werd. Hun mama overleed toen we net studeerden. Dat was voor mij de eerste aanraking met veel te vroeg verlies, dichtbij. Ik was daar toen behoorlijk van ondersteboven. Maar ook weer niet. Want ik ging terug naar Delft. Leefde mijn leven door, en als ik thuis kwam, waren mijn ouders er beiden gewoon. Het verlies was niet zó dichtbij dat het míjn leven echt beïnvloede. Ik denk eraan dat ze die zomer op vakantie gingen. Met een hele club buren. Naar een camping waar wij ook ooit met ze zijn geweest. Toen dacht ik daar niet over na. Ze gingen gewoon. En fijn dat ze met een groep mensen gingen die ze kenden.

Nu pas kan ik me iets van de waas voorstellen die zo’n verlies met zich mee brengt. Nu pas vraag ik me af of ze zich het verlies toen überhaupt al echt realiseerden. Voor ons was de dood van hun moeder toen al een feit. Maar misschien zaten zij tijdens die vakantie nog wel in de roes van die eerste maanden, waarin je nog totaal niet beseft dat dood echt dood is, echt weg, voor altijd. Met terugwerkende kracht voel ik met ze mee. Denk ik hieraan.

Het verschil tussen het wel en niet zien

Gelukkig zijn er maar weinig mensen die zo’n groot en veel te vroeg verlies moeten dragen. En gelukkig zijn er ook mensen die de Thestrals nog niet zien, die zich wel in proberen te leven en meevoelen met mijn situatie.

Ik merk dat ik veel boosheid voel richting mensen die daar minder goed in zijn. Die gedachteloos dingen doen of zeggen die mij ontzettend raken. Die boosheid komt vooral omdat ik niet snap dat ze zich zelfs niet een beetje proberen in te leven. Als ze toch een beetje hun best zouden doen om zich voor te stellen hoe het zou zijn om…. Dan zouden ze dit niet doen of zeggen. Maar goed. Zij zien het niet. Zij zien de Thestrals niet. Dus probeer ik me er niet teveel van aan te trekken.

Zo blijkt er een diepere wijsheid te zitten in de Harry Potter verhalen. Het maakt gewoon echt uit of je de dood van dichtbij hebt meegemaakt. Daar is geen goed of fout aan. Het is alleen wel echt een duidelijk verschil. Een verschil in je beleving van verlies en rouw. In je voorstellingsvermogen richting iemand die een groot verlies heeft geleden.

Die Thestrals komen Harry op een gegeven moment te hulp, trouwens. Niet echt tof dat ik ze nu ook zie. Maar laat ik er maar vanuit gaan dat het feit dat ik ze nu zie, me vast ooit ook van pas zal komen.  

Wat rouwenden doen: het vergelijken van hun verlies

Wat rouwenden doen: het vergelijken van hun verlies

Ieder mens heeft de neiging tot vergelijken. Niet echt nuttig of handig. Maar ik denk dat het er bij ons gewoon ingebakken zit. Zelfs met rouw bespeur ik bij mezelf de gedachte dat het ene verlies me erger lijkt dan het andere. Ik merk dat ook andere rouwenden die denkstap maken. Onbewust, voordat we het weten, hebben we blijkbaar al een vergelijk gemaakt. Maar het verrast me hoe verschillend de uitkomsten van die denkstap zijn. 

Vergelijken van verlies: nòg erger

Vanaf de 20 weken echo wisten we dat het niet goed ging met ons kindje. Dat hij waarschijnlijk binnen een paar weken zou overlijden in mijn buik. De onzekerheid duurde uiteindelijk bijna 12 weken, in plaats van die paar weken die ons voorspeld waren. Weken waarin we de ene onmogelijke afweging na de andere moesten maken. Weken waarin ik elke dag meteen na het wakker worden probeerde te voelen of ik ons jongetje nog voelde bewegen. Als ik dat niet voelde, zou ik die dag extra goed op moeten letten. Als ik het die hele dag en de ochtend erna nog niet zou voelen, zou ik naar het ziekenhuis moeten om te controleren of hij al dood was. En dan op zeer korte termijn bevallen. Weken waarin we dus continu paraat stonden. Slopende weken.

Maar wij wisten tenminste dat ons kindje misschien dood zou gaan. Er zijn ook kindjes die met 38 weken plots overlijden in de buik. Dat leek me nog erger. Het kamertje thuis al helemaal klaar. Geboortekaartje uitgezocht. Alles voorbereid. En dan valt onverwachts je droom in duigen. Moet je bevallen van een dood kindje. Moet je dat kindje cremeren of laten begraven. Dat plotselinge leek me nòg erger dan onze situatie.

Ik sprak laatst een mama die haar eerste kindje precies zo verloren is. Onverwachts, aan het einde van de zwangerschap. We vertelden elkaar ons verhaal. Ook zij maakte het vergelijk. En zei tot mijn verrassing vol overtuiging: “Oh, hoe het bij jullie is gegaan, dat lijkt me nog zó veel erger!”. Ze was blij dat zij niet al die moeilijke beslissingen hadden moeten nemen. Niet zo’n ellendig lange tijd in onzekerheid hadden gezeten.

Op mijn tegenwerping over dat wij het tenminste nog soort van aan hadden zien komen, zei ze heel ferm: “Maar je kon toen toch nog niet beginnen met afscheid nemen? Er was al die tijd nog dat kleine beetje hoop. Zeker omdat hij tegen alle voorspellingen in toch niet dood ging al die weken. Nee hoor, dat maakt het echt op geen enkele manier makkelijker.”

Een totaal andere situatie

Ook is me de laatste tijd vaak door het hoofd geschoten dat het minstens net zo erg moet zijn om je partner te verliezen. Om door te moeten leven zonder je vriendje, je maatje. In het huis waar je samen geleefd hebt. Waar zijn spullen nog staan. Door te gaan met het leven waarin je zo lang zo veel samen hebt gedaan en gedeeld. Ik kan me er echt niets bij voorstellen hoe iemand dat ooit voor elkaar krijgt.  

Tieme is 7 maanden in mijn leven geweest. En natuurlijk al jaren en jaren daarvoor, als grote wens. Maar hij is niet levend in mijn leven geweest. Heeft hier niet geslapen, gehuild, gepoept, gedronken. Op de een of andere manier lijkt het me nog moeilijker als je iemand verliest aan wie je echt gewend bent in je leven. Met wie je jarenlang geleefd hebt, en zonder wie je dan door moet.

Mijn oom is zijn vrouw veel te vroeg verloren. Hij vond mijn verlies vele malen erger. Hij had tenminste herinneringen op kunnen bouwen. Kon terugkijken op een prachtige tijd samen.

Vergelijken biedt troost

Ergens is het mooi, dat elkaars verliezen ons blijkbaar nòg moeilijker lijken. Je eigen verlies heb je te dragen, er is nou eenmaal geen andere optie. Dus je vindt er een weg in. Ook al is het een ondraaglijk verlies. Het verlies van de ander maak je niet mee. En voelt dus blijkbaar nòg minder draaglijk.

Het zit misschien wel in onze natuur om altijd iets te zoeken wat je nóg erger lijkt. Op de een of andere manier verzacht het je eigen omstandigheden. Door te denken: het kan altijd nog erger.

En ergens vind ik het toch ook fijn om te horen dat die mensen, die ook zulke enorme verliezen hebben geleden, mijn verlies nòg erger vinden. Ik ben zo ontzettend onderuit geschoffeld. Het voelt als een soort erkenning. Als de bevestiging dat het niet gek is dat ik zoveel moeite heb met mijn verlies. Het verlies wat ik zelf af en toe probeer te verminderen door te denken: maar het was geen levend persoon die letterlijk een gat in mijn leven naliet. En: maar we zagen het tenminste al aankomen. Rationeel vind ik dat ik die erkenning niet nodig heb. Ik voel wat ik voel, en het is zo erg als dat het voelt. Maar toch. Een stukje extra bevestiging is fijn. Zeker voor het tuimelpoppetje wat ik momenteel ben.

Dat vergelijken is natuurlijk volstrekt zinloos. Welk vergelijk dan ook. Verliezen. Aantal kinderen. Banen. Wel of juist niet gepakte kansen. Het zou waarschijnlijk beter zijn het nooit meer te doen. Scheelt een hoop gedenk, gepieker en frustratie. Het is een goed streven het minder te doen. Maar het is menselijk. En gaat bijna automatisch.

Ieder verlies is anders. Iedere rouw is anders. Toch maken we dus blijkbaar onbewust een vergelijk. En zolang dit ons op de een of andere manier ook een beetje troost brengt, lijkt me dat ook eigenlijk volstrekt geen probleem. 

Afbeelding van Arek Socha via Pixabay